Een lastige schooltijd
J. was zeven jaar oud toen hij de diagnose autisme kreeg. Maar al eerder, eigenlijk al sinds de kleuterklas, liep het niet lekker op school. J. had namelijk veel last van overprikkeling. Na zijn diagnose werd besloten dat speciaal onderwijs de beste route voor hem zou zijn. In groep 3 kwam hij in een klas speciaal voor kinderen met autisme. Hij zat in een klas met maar vijf kinderen en had een leraar die écht verstand had van autisme. Groep 3 en 4 zijn voor J. dan ook “de mooiste tijd die hij op school heeft meegemaakt”. Maar helaas: na twee fijne jaren op school wordt zijn docent wegbezuinigd, en vanaf daar gaat het met J. op school bergafwaarts.
J. vindt het lastig dat kinderen met veel verschillende soorten beperkingen bij elkaar in een klas worden gezet en dat de klassen steeds groter worden. Hij heeft veel last van overprikkeling, wat zich bij hem uit in boosheid. Klasgenoten pesten hem hiermee en proberen hem uit te lokken. Hij voelt zich onveilig op school. Ondanks de tegenslagen rondt hij zijn basisschoolperiode goed af en mag hij naar een middelbare school met een basis-kaderadvies. Hij krijgt goed nieuws van zijn nieuwe middelbare school: ook daar start een speciale autismeklas.
Helaas blijkt al snel dat ook hier geen rekening is gehouden met wie er eigenlijk allemaal bij elkaar worden geplaatst in zo’n klas. J. ervaart dat de vele verschillende vormen van autisme niet goed bij elkaar passen, voelt dat kinderen met ‘zwaardere’ problemen meer aandacht krijgen van de leraren en merkt dat de klas qua niveau eigenlijk niet bij hem past. Maar het moeilijkste vindt hij dat de leraren niet genoeg verstand lijken te hebben van autisme. Hij wordt door een aantal leraren boos en zonder begrip benaderd wanneer hij overprikkeld is, wat tot een aantal hele nare situaties heeft geleid. Uiteindelijk krijgt J. zelfs EMDR om deze ervaringen te verwerken.
Gelukkig krijgt J. in klas 2 een hele goede mentor, die voor zijn gevoel écht wil begrijpen hoe hij in elkaar zit. Deze mentor denkt niet: hij heeft autisme, dus hij zal wel zo in elkaar zitten. Deze mentor denkt: wat gaat er in zijn hoofd om, wie is J.? Hij benadert hem rustig en gaat met hem in gesprek wanneer hij overprikkeld is. Ook dit is helaas maar van korte duur, want in klas 3 moet J. vanwege zijn profielkeuze vakken volgen op een andere school. Op deze school voelt J. zich erg ongelukkig en houdt hij het dan ook maar een half jaar vol.
Ook op zijn laatste middelbare school worstelt J. met de andere leerlingen, die veel gedragsproblemen vertonen. Gelukkig had hij hier een aantal fijne leraren en een goede zorgcoördinator en begint hij hier met stages. Tijdens zijn eerste stage loopt J. weer tegen dezelfde obstakels aan: ook hier hebben de mensen die hem moeten begeleiden geen verstand van autisme, maar denken ze wel te weten hoe hij in elkaar zit. Maar bij zijn tweede stageplek, bij een fietsdepot, is het gelukkig raak. J. noemt deze stage zelf “een lichtpuntje”. Hij haalt zijn mbo-1-diploma en mag doorstromen naar werk bij Pantar.
De zoektocht naar een passende werkplek
Een tijd gaat het goed op J.’s nieuwe werkplek: hij voelt zich thuis, heeft een klik met zijn collega’s en een fijne leidinggevende die rekening met hem houdt. Na een tijd zijn er echter veel wisselingen in het personeel en krijgt J. opnieuw te maken met mensen die niet weten hoe ze met zijn autisme moeten omgaan. Uiteindelijk wordt het hem te veel en gaat J. weg.
Hij gaat op zoek naar een plek die bij hem past en waar hij uitgedaagd wordt. Uiteindelijk komt hij terecht bij de afdeling medische technologie van het AMC. Hier repareert hij medische apparatuur, zoals infuuspompen en zuurstofmeters. Dit blijkt J. perfect te passen: het is werk dat hij aan de hand van protocollen kan doen, er is ruimte voor ontwikkeling en hij werkt in een kleine groep van zo’n vijf mensen die aardig zijn en rekening houden met hem en zijn overprikkeling. Hij wordt met open armen ontvangen en voelt zich begrepen. Als het even niet gaat, kan hij zich even terugtrekken, tegenwoordig graag in de stilteruimte.
Het leven buiten school, werk en hulp
Tegenwoordig beoefent J. het boeddhisme. Doordat hij de reguliere hulpverlening een beetje beu raakte, voelde hij zich hiertoe aangetrokken. Het helpt hem erg bij zijn overprikkeling. Hij voelt zich in verbinding met een universele kracht en vraagt zichzelf nu wanneer hij boos wordt: waar gaat dit eigenlijk om? Ook voelt hij meer compassie voor andere mensen. Hij heeft zich aangesloten bij een boeddhistische school in de Soka Gakkai-leer, waar hij wekelijks een bijeenkomst bijwoont.
Ook bij InterActing, een theaterschool voor jongeren met autisme, is J. helemaal op zijn plek. Zoals hij zelf zegt: één van de weinige plekken waar wél goed wordt omgegaan met autisme en waar goede begeleiding is. Voor J. was het namelijk moeilijk om een sport- of hobbyclub te vinden die goed bij hem paste. Als het je bij InterActing even te veel wordt, komt er altijd iemand rustig met je praten om te kijken wat er aan de hand is. En als je ergens mee zit, kun je dat altijd bespreken. J. heeft het idee dat hij meer drempels overgaat en meer dingen durft sinds hij hier is gestart. Het idee is: het leven is niet gescript, net zoals improvisatietheater. Hierdoor leer je omgaan met onverwachte situaties.
J. wil dan ook graag afsluiten met een pluim voor InterActing; er zouden meer plekken zoals deze moeten zijn. Ook wil hij adviseren dat er op scholen beter gekeken wordt naar wie bij elkaar in een klas wordt geplaatst. Maar het allerbelangrijkste is: werk vanuit de vraag wat heeft iemand nodig? en denk niet dat je weet hoe iemand werkt, alleen omdat je de diagnose van diegene kent.